Skip to content

Oefenen met taal voor groep 8

Beantwoord de volgende 30 vragen en klik dan onder op de webpagina op Toets nakijken.

De toetsvragen:

1.

Zoek de zin met het goede voltooid deelwoord van het werkwoord bevriezen.


2.

Welke zinnen horen bij elkaar?


3.

Lees het verhaaltje van de oude vrouw. Maak dan van deze ene zin twee zinnen.

De oude vrouw werd voor gek verklaard toen ze op haar 98e nog mee wilde doen met de avondvierdaagse.


4.

Welk woord schrijf je in het meervoud met alleen een -s erachter?


5.

In welke persoonsvorm tijd zit een fout?


6.

Welke woorden kunnen absoluut niet samen?


7.

Wat moet voor tekende staan?

James ... tekende het verdrag.


8.

Wat vul je in op de open plaats?

Ik ga naar de bank, want ... op vakantie. Daar heb ik veel zin in.


9.

Hoeveel zinnen staan hier?

gisteren was het mooi weer we zijn met zijn allen naar het zwembad geweest en hebben fijn gezwommen ik vond het erg leuk om daar te zijn


10.

Zet deze zinnen in de juiste volgorde.

1. Ik heb een hond.
2. Hij houdt erg van kinderen.
3. Zijn naam is Bruno.
4. Ook speelt hij graag met zijn kluif.


11.

Bij welke zin moet je nog iets invullen op de stippellijn?


12.

Iedereen weet dat je van douchen smerig wordt. Daarom douchen mensen ook. Vaak gebruiken ze shampoo om hun haren te wassen en zeep om hun lichaam schoon te schrobben. Op zich is water heel goed voor je lichaam, maar wist je dat te veel water je huid uit kan drogen?

Wat is er aan de hand met de eerste zin?


13.

Bekijk de volgende tekst. Waar begint er een nieuwe alinea?
Leestekst2taal8


14.

Vervang de foute werkwoordsvormen.

Een goede vriendin van mij opbellen. Ik had haar lange tijd niet spreken.


15.

Vervang de onjuiste leestekens door de juiste in deze zin.

Ik heb besloten, ik ga mee naar schiermonnikoog?


16.

Vier woorden met een ch.
Welk woord is fout geschreven?


17.

Maak deze zin op de juiste manier af: We waren onderweg naar Groningen ...


18.

Welke zin is helemaal goed?


19.

Maak jij de zin kloppend? Kijk goed naar de antwoordmogelijkheden.

Beide jongens lijken erg op elkaar. Je kunt hun bijna niet uit elkaar houden.


20.

Zoek de fout.


21.

Welke uitdrukking moet anders?


22.

Onderstaande zin is niet helemaal juist. Maak hem kloppend.

De gemaakte kosten kunt u declaren bij ons hoofdkantoor.


23.

Bij welk van de volgende woorden kun je het woord magere niet gebruiken?


24.

Wat is het tegengestelde van ’recht’?


25.

Welke zin valt jou het meeste op?


26.

Welke zin klopt niet?


27.

Ontdek de fout.


28.

Welk woord met strand kun je zo niet zeggen?


29.

De volgende woorden schrijf je altijd met een hoofdletter. Eén is er fout; welke?


30.

Lees eerst het hele verhaal.
Lees dan regel 28 t/m regel 35.
Waar gaat dit stukje over?
Leestekst2taal8

 


Aanbevolen bij deze toets:

Oefenen met taal voor groep 8

De Visual Steps-boeken

Direct aan de slag / Stap-voor-stapinstructies / Begrijpelijke inhoud