Skip to content

Oefenen met rekenen voor groep 7

Beantwoord de volgende 30 vragen en klik dan onder op de webpagina op Toets nakijken.

De toetsvragen:

1.

30,05
Wat is het verschil tussen de 3 en de 5?


2.

Tijdens de stadsfeesten werden 9010 loten verkocht. De loten zaten in boekjes van 38.
Hoeveel boekjes zijn dat?


3.

delen

Jan wil graag een spelcomputer. Hij krijgt van beide oma’s geld voor zijn verjaardag. Van oma Jansen krijgt hij  deel en van oma Klazema [1^3] deel.
Welk deel heeft hij nu al?


4.

Kies de goede maat.
Als ik de inhoud van een blikje bier wil meten, gebruik ik ...


5.

Schrijf 0,2 als breuk.


6.

- 0,48 - - 0,35
Welke van deze getallen zijn evenveel waard?


7.

Tel verder: 573 - 583 - 593 - ... - ... - ...


8.

In veel supermarkten vinden ze deze muntjes maar lastig. Daarom gebruiken ze die liever niet. In plaats daarvan ronden ze de bedragen af op stuivers. De klant betaalt dan soms iets te veel, of soms iets te weinig. Op mijn kassabon staat € 73,88.
Wat moet ik betalen?


9.

4200 : 600 =


10.

Welke breuk past bij 20%?


11.

Tijdens de vakantie bezoeken we een aantal musea.
Vader betaalt per museum € 2,65 + € 6,95 + € 12,50 + € 4,50.
Dat is samen ongeveer ...


12.

Hoeveel weken zitten er in 6 jaar?


13.

weegschaal

Welk gewicht wijst de weegschaal aan?


14.

blok

Lengte: 24 - Breedte: 12 - Hoogte: 12
Bereken de inhoud.


15.

Als ik wil weten hoeveel smeerkaas er in een kuipje zit, gebruik ik de maat ...


16.

Oenburg ligt een eindje verderop. Je loopt er heen in nog geen uur.
De afstand naar Oenburg is ongeveer ...


17.

tegels

Vader heeft een kleine kas achter in de tuin. Naar die kas loopt een tegelpad. Dat pad is 40 tegels lang.
Hoeveel tegels liggen er op het pad?


18.

Welke breuk past bij de verhouding 9:27?


19.

Het Engelse pond is € 1,34 waard.
De Amerikaans dollar is € 0,68 waard. Pieter gaat een half jaar naar de Verenigde Staten. Hij koopt voor € 75 aan dollars.
Hoeveel dollars krijgt hij?


20.

We vertrokken om 15:33 uur. De reis duurt 3 uur en 45 minuten.
Hoe laat kwamen we aan?


21.

1000 – 295 =


22.

strook

Hoe noem je het blauwe deel (2)?


23.

660 + 198 =


24.

Schaal 1:50
Als een toren in werkelijkheid 80 meter hoog is, hoe groot is hij dan op een tekening?


25.

Tijdens een huis-aan-huisactie hebben we geld opgehaald voor de buurtvereniging. We wisselen na afloop 750 munten van 10 eurocent in bij de bank.
Wat krijgen we terug?


26.

Karel en zijn vrienden hebben samen een bedrag aan geld. Karel heeft € 8 en dat is het deel.
Hoeveel hebben ze samen?


27.

Stefan vult 318 emmers van 14 liter met water.
Hoeveel water heeft hij dan?


28.

Blokken_bouwsels_4

Het vierkantje met de cijfers is de plattegrond, de rode kant is het vooraanzicht, paars het zijaanzicht.
Welk antwoord hoort bij deze figuur?


29.

kubus

Je ziet hier een kubus. Alle ribben van een kubus zijn even lang. De inhoud van deze kubus is 1000 cm³.
Wat is de oppervlakte van een van de zijden?


30.

rondjes

Welk deel van de rondjes is rood gekleurd?


Aanbevolen bij deze toets:

Oefenen met rekenen voor groep 7

De Visual Steps-boeken

Direct aan de slag / Stap-voor-stapinstructies / Begrijpelijke inhoud