Skip to content

Oefenen met rekenen voor groep 7

Beantwoord de volgende 30 vragen en klik dan onder op de webpagina op Toets nakijken.

De toetsvragen:

1.

Karel en zijn vrienden hebben samen een bedrag aan geld. Karel heeft € 8 en dat is het deel.
Hoeveel hebben ze samen?


2.

48 x 75 =


3.

oppervlaktematen

16 dm² = ...


4.

293 847 - 293 487 - 294 387 - 294 378
Wat is het grootste getal?


5.

kwartaal2
Op welke dag valt 3 juni?


6.

Vorig jaar was de gemiddelde temperatuur in Dokburg 15 ºC. Dit jaar was er een stijging van 20%.
Wat is nu de gemiddelde temperatuur?


7.

strook

Hoe noem je het blauwe deel (2)?


8.

Welke breuk past bij de verhouding 9:27?


9.

0,48 : 8 =


10.

De keukendeur is 8 ... breed.
Kies de juiste maat.


11.

Negenennegentig miljoen
Schrijf in cijfers.


12.

blok

Lengte: 24 - Breedte: 12 - Hoogte: 12
Bereken de inhoud.


13.

Bij de supermarkt op de hoek verkocht men de afgelopen maand 750 flessen cola. 20% daarvan was niet van het merk Coca Cola.
Hoeveel flessen waren er wel van Coca Cola?


14.

De familie Feenstra gaat tijdens hun vakantie een paar dagen fietsen. Ze fietsen 16, 15, 19, 22, 24, 12 en 18 km.
Hoeveel is dat gemiddeld?


15.

delen

Jan wil graag een spelcomputer. Hij krijgt van beide oma’s geld voor zijn verjaardag. Van oma Jansen krijgt hij  deel en van oma Klazema [1^3] deel.
Welk deel heeft hij nu al?


16.

Een weekje dierentuin.

dierentuin

Hoeveel bezoekers waren er deze week?


17.

We vertrokken om 15:33 uur. De reis duurt 3 uur en 45 minuten.
Hoe laat kwamen we aan?


18.

(4 x 1,5) – (2 x 1,7) =


19.

weegschaal

Welk gewicht wijst de weegschaal aan?


20.

Stefan vult 318 emmers van 14 liter met water.
Hoeveel water heeft hij dan?


21.

De verhuizer liet de doos met het servies vallen. 24 van 36 schoteltjes waren kapot.
Welk percentage hoort hier bij?


22.

Janneke heeft een krantenwijk. Ze verdiende vorig jaar € 1000. Dit jaar is het aantal abonnees afgenomen. Ze verdient daarom ook minder. De inkomsten daalden met 7%.
Wat verdient ze dit jaar?


23.

Het Engelse pond is € 1,34 waard.
De Amerikaans dollar is € 0,68 waard. Pieter gaat een half jaar naar de Verenigde Staten. Hij koopt voor € 75 aan dollars.
Hoeveel dollars krijgt hij?


24.

Tijdens de vakantie bezoeken we een aantal musea.
Vader betaalt per museum € 2,65 + € 6,95 + € 12,50 + € 4,50.
Dat is samen ongeveer ...


25.

Oenburg ligt een eindje verderop. Je loopt er heen in nog geen uur.
De afstand naar Oenburg is ongeveer ...


26.

2 uur = ... minuten


27.

Schrijf 0,2 als breuk.


28.

In veel supermarkten vinden ze deze muntjes maar lastig. Daarom gebruiken ze die liever niet. In plaats daarvan ronden ze de bedragen af op stuivers. De klant betaalt dan soms iets te veel, of soms iets te weinig. Op mijn kassabon staat € 73,88.
Wat moet ik betalen?


29.

In welk kwartaal valt 25 november?


30.

Tel verder: 573 - 583 - 593 - ... - ... - ...


Aanbevolen bij deze toets:

Oefenen met rekenen voor groep 7

De Visual Steps-boeken

Direct aan de slag / Stap-voor-stapinstructies / Begrijpelijke inhoud