Skip to content

Oefenen met taal voor groep 7

Beantwoord de volgende 30 vragen en klik dan onder op de webpagina op Toets nakijken.

De toetsvragen:

1.

Nederlandse fruittelers hebben in 2017 een recordhoeveelheid peren geoogst: 260 miljoen kilo.
Dat is 17 procent meer dan een jaar eerder.
De groei werd onder meer veroorzaakt doordat er meer peren per boom werden geplukt.
Welke titel past het beste bij deze tekst?


2.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


3.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


4.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


5.

Welke van de scheefgedrukte woorden is niet de persoonsvorm?


6.

Welke van de scheefgedrukte woorden is niet de persoonsvorm?


7.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


8.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


9.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


10.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


11.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


12.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


13.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


14.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


15.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


16.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


17.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


18.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


19.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


20.

Het meisje zet haar tekenmateriaal onder een boom en wacht.
Vandaag - ze is niet zo lang meer met vakantie - wil ze proberen een vrouw of een kind te strikken.
Ze heeft een portemonnee vol kleine geldstukken, waarmee ze haar tekenmodel wil lokken.
Ze wacht een half uur, een uur. Geen succes.
Net als ze het wachten heeft opgegeven en haar tekenmateriaal bij elkaar wil pakken, komt er een man langs, een echte Griekse bergbewoner.
Het is een lange, magere vent.
Zijn tronie is grof, brutaal, met een haviksneus en een grote mond.
Een petje, stijf van viezigheid, zit op zijn kop geplakt.
Met de wollen doek van fel korenblauw die over zijn schouder hangt, lijkt hij een feest van kleuren, een ’schoonheid’.
Dit model is te mooi om voorbij te laten gaan.

Deze tekst is geschikt ...


21.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


22.

1. De grootste vogel ter wereld is de struisvogel.
2. Het is een loopvogel.
3. Struisvogeleieren zijn de grootste eieren ter wereld.
4. Een struisvogelei weegt ongeveer 1,5 kilo en is wel 25 keer zo groot als een gewoon kippenei.
5. In Afrika worden lege struisvoge leieren ook gebruikt om water op te slaan om later op te drinken.
6. Vroeger werden veren van de struisvogel door deftige dames gebruikt om hun uiterlijk  te verfraaien.
7. Gelukkig is dat nu voorbij.

Wat is waar over feit en mening?


23.

Drie dagen na zijn trouwdag stapte Jan op de loodsboot voor zijn eerste dienst als loods en met een zekere trots keek hij naar het bord aan de wand in het stuurhuis, want naast de namen van de andere loodsen prijkte hierop nu zijn vers geschilderde naambordje: Jan Prins.
Het stond nummer drie van boven in de rij.
Twee loodsen zouden hem nog voorgaan; dan zou hij in de jol stappen om naar de boot gebracht te worden, die hij dan de haven zou moeten binnenbrengen, voor het eerst alleen.
Hij ging naar kooi, maar sliep onrustig.
Als het druk werd, zou hij deze nacht nog aan bod komen.
Hij hoorde de jol strijken, eenmaal, andermaal.
Twee loodsen waren dus weggebracht; nu stond hij nummer een.
Weer sliep hij in.
Op een gegeven moment schrok hij wakker, hij was opgeroepen.

Wat is in deze tekst een loods?


24.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


25.

1. Steeds meer mensen winkelen achter de computer.
2. Het kopen via internet is het afgelopen jaar gestegen met bijna veertig procent ten opzichte van een jaar eerder.
3. Dat zegt de organisatie voor thuiswinkels.
4. Afgelopen jaar kochten 7,3 miljoen mensen iets via internet, onder meer reizen, computers of software.

In welke zin(nen) vind je de belangrijkste informatie?


26.

Welke van de scheefgedrukte woorden is niet de persoonsvorm?


27.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


28.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


29.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


30.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


Aanbevolen bij deze toets:

Oefenen met taal voor groep 7

De Visual Steps-boeken

Direct aan de slag / Stap-voor-stapinstructies / Begrijpelijke inhoud