Skip to content

Oefenen met taal voor groep 7

Beantwoord de volgende 30 vragen en klik dan onder op de webpagina op Toets nakijken.

De toetsvragen:

1.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


2.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


3.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


4.

Welke van de scheefgedrukte woorden is niet de persoonsvorm?


5.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


6.

1. Steeds meer mensen winkelen achter de computer.
2. Het kopen via internet is het afgelopen jaar gestegen met bijna veertig procent ten opzichte van een jaar eerder.
3. Dat zegt de organisatie voor thuiswinkels.
4. Afgelopen jaar kochten 7,3 miljoen mensen iets via internet, onder meer reizen, computers of software.

In welke zin(nen) vind je de belangrijkste informatie?


7.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


8.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


9.

Welke van de scheefgedrukte woorden is niet de persoonsvorm?


10.

Juf maakt altijd grapjes. Ik moet er altijd vreselijk om lachen. Juf zegt dan: ’Als die jongen lacht, moet ik ook lachen.’ Maar als juf dat zegt, moet ik daar weer om lachen. En dat vindt juf leuk. Welke uitspraak past het beste bij deze tekst?


11.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


12.

Voor een museum hoef je tegenwoordig de deur niet meer uit.
Er zijn namelijk ook webtentoonstellingen.
Zo heeft het Rijksmuseum in Amsterdam een bijzondere tentoonstelling van allerlei modevoorwerpen van 1500 tot 1900.
Je ziet brillen, tassen, schoenen en hoeden.
Leuk om te zien hoe mensen vroeger ook met de nieuwste mode meededen.
Heel grappig bovendien, dat je het allemaal thuis kunt bekijken.

Wat doet de schrijver met deze tekst?


13.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


14.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


15.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


16.

Nauvo is een van de honderden eilanden die tot de Finse archipel behoren.
De eilanden zijn onderling verbonden door bruggen, veerponten en  kilometers elektriciteitskabel.
Als je niet wist dat het om een eilandengroep gaat, zou je kunnen denken ergens midden in het Finse binnenland met de duizend meren te verkeren.
Want wat hebben we nu eigenlijk gezien?
Land onderbroken door water, of water met stukken land er in?
Volgens de kaart het laatste dus.
Naarmate je verder naar het zuidwesten gaat, worden de eilanden kleiner en de stukken zee breder.

Hoe wist de schrijver dat hij van eiland naar eiland ging?


17.

Welke van de scheefgedrukte woorden is niet de persoonsvorm?


18.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


19.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


20.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


21.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


22.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


23.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


24.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


25.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


26.

Het was hartje zomer; de zon scheen hoog boven de uitgestrekte bossen en dwong alle bewoners van de camping de schaduw op te zoeken.
Wiebe en Peter - tijdelijk buurjongens - kwamen net uit het zwembad.
In hun zwembroek liepen ze langs het publicatiebord, dat aan de muur van de recreatiezaal hing.
Ze lazen: ’Vanavond dropping voor jongens en meisjes van 16 jaar en ouder. 22.30 uur verzamelen bij het administratiegebouw. Opgeven bij de kampleiding.’
Wiebe en Peter hadden best zin om mee te doen en gingen zich opgeven bij de kampleider.
’s Avonds om half elf - het duurde lang voordat het donker was - kwam een gesloten vrachtauto de camping oprijden.
De jongens en meisjes stapten achterin de grote auto, de deuren gingen dicht en men vertrok 5 minuten later met 26 deelnemers.
In de vrachtauto was het aardedonker.
Alleen door de ventilatieroosters in het dak vielen zo nu en dan lichtstralen van een straatlantaarn.
Na een half uur rijden moesten de eerste mensen de auto verlaten.

Uit dit verhaaltje blijkt dat...


27.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


28.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


29.

In welke zin staat een verkeerd gespeld woord?


30.

In welke zin wordt het scheefgedrukte woord verkeerd gebruikt?


Aanbevolen bij deze toets:

Oefenen met taal voor groep 7

De Visual Steps-boeken

Direct aan de slag / Stap-voor-stapinstructies / Begrijpelijke inhoud