Skip to content

Oefenen met leessommen (redactiesommen) voor groep 6

Beantwoord de volgende 30 vragen en klik dan onder op de webpagina op Toets nakijken.

De toetsvragen:

1.

Karel wil bomen planten aan een kant van zijn tuin. Zijn tuin is 12 m lang en hij plant om de 2 meter een boom. Hoeveel bomen heeft Karel nodig? Let op: op beide hoeken moet ook een boom komen.


2.

Jan zijn gewicht was 90 kg. Hij is afgevallen en weegt nu [1^18] minder. Hoeveel weegt hij nu?


3.

Bas legt plavuizen in de woonkamer. De woonkamer heeft een lengte van 8 m en een breedte van 4 m. Bas heeft al 14 m² plavuizen gelegd. Hoeveel m² plavuizen moet Bas nog leggen?


4.

Marijke koopt bij de groenteboer [1^2] kg sperziebonen en 2 kg aardappelen. De sperziebonen kosten € 2,00 per kg en de aardappelen kosten € 0,80 per kg. Hoeveel moet Marijke betalen?


5.

Susan gaat schoonmaken. Zij doet 7 liter water in een emmer. Hoeveel dl zit er in de emmer?


6.

Paulien heeft een landkaart waar op staat dat 1 cm in het echt 3 km is. Welke schaal staat er op de kaart?


7.

De moeder van Lois heeft een net sinaasappels gekocht van 3 kg. Hoeveel gram is dat?


8.

Mark heeft geld gekregen voor zijn verjaardag. Hij gaat naar de boekhandel en koopt een boek van € 16,95 en een stripboek van € 5,95. Hoeveel moet Mark betalen?


9.

Suze zit op tennisles en ze gaat op de fiets naar de tennisbaan. Ze vertrekt om 15.57 uur en komt om 16.18 uur bij de tennisbaan aan. Hoe lang is ze onderweg?


10.

Tessa en haar zus krijgen van hun ouders een nieuwe fiets. De fiets van Tessa kost € 295,00 en de fiets van haar zus kost € 325,00. Hoeveel moeten de ouders van Tessa betalen?


11.

Jurgen is te groot geworden voor zijn fiets. Zijn ouders kopen een nieuwe fiets voor Jurgen voor € 235,50. Hoe kunnen ze betalen?


12.

Rens doet 5 liter water in een emmer. Hoeveel dl is dat?


13.

Laurens gaat vanmiddag naar het verjaardagsfeest van zijn vriendin. Hij gaat eerst langs de bloemist om een mooie bos rode rozen te kopen. De rozen kosten € 9,75. Hoe kan Laurens betalen?


14.

Het voetbalveld waar Tom traint is 120 m lang en 70 m breed. Wat is de oppervlakte van het voetbalveld?


15.

Olivia heeft een zak rijst van 2 kg. Ze gebruikt 600 g rijst voor het avondeten. Hoeveel gram rijst zit er nog in de zak?


16.

Loes gaat naar de bakker. Ze koopt een brood en vier gebakjes. Het brood kost € 1,95 en de gebakjes kosten € 2,10 per stuk. Hoeveel moet Loes betalen?


17.

Boer Jaap is een hek aan het maken. Hij heeft een balk met een lengte van 1 m. Hij zaagt een kwart van de balk af. Hoeveel cm heeft hij er af gezaagd?


18.

Lieke en haar moeder gaan met de trein naar Amsterdam. De trein vertrekt om 9.47 uur en komt om 11.23 uur aan. Hoe lang duurt de treinreis?


19.

Timo fietst ’s ochtends 3 km naar school. Daar doet hij 15 minuten over. Na school fietst hij 2 km naar zijn vriendje om te spelen. Later op de middag fietst hij 3 km naar huis. Timo fietst elke keer even snel. Hoe lang heeft Timo in totaal gefietst?


20.

Steijn zijn gewicht was 75 kg. Hij is afgevallen en weegt nu [2^15] minder. Hoeveel is Steijn afgevallen?


21.

Femke is jarig geweest en koopt bij de bakker twee taarten van € 7,30 per stuk. Hoe kan Femke betalen?


22.

Noortje bakt een appeltaart. Ze heeft een pak suiker van 1 kg. Voor de appeltaart gebruikt ze 80 g. Hoeveel gram suiker zit er nog in het pak?


23.

Iris gaat met haar klas op schoolreisje. Ze vertrekken ’s ochtends om 9.17 uur en komen ’s middags om 16.54 uur weer thuis. Hoe lang is Iris weggeweest?


24.

Ellen koopt bij de drogist twee flessen shampoo van € 2,45 per stuk en een mascara voor € 6,90. Hoeveel moet zij betalen?


25.

Naomi en Evelyn gaan met de bus naar de stad. De bus vertrekt om 12.43 uur en komt om 13.07 uur aan. Hoe lang duurt de busreis?


26.

Rick drinkt een glas cola van 20 cl. Mark drinkt twee bekers melk van 150 ml en Esther drinkt een kopje koffie van 150 ml. Hoeveel cl hebben ze samen gedronken?


27.

Thomas heeft 1 kg druiven gekocht. Hij eet thuis één trosje druiven van 120 g. Hoeveel gram druiven heeft hij nog over?


28.

Sven gaat schaatsen op de ijsbaan. Hij heeft 4 km geschaatst. Hij heeft daar 1 kwartier over gedaan. Wat is zijn snelheid?


29.

Loes wil vanavond nasi koken. Ze gaat naar de supermarkt en koopt een pak rijst voor € 1,35, een pak nasigroente voor € 2,75, een pakje kruiden voor € 0,65 en een doosje eieren voor € 1,25. Hoeveel moet Loes betalen?


30.

Ruben heeft een chocoladereep. De reep bestaat uit 24 stukjes. Hij eet [1^3] van de reep op. Hoeveel stukjes heeft Ruben opgegeten?


Aanbevolen bij deze toets:

Oefenen met leessommen (redactiesommen) voor groep 6

De Visual Steps-boeken

Direct aan de slag / Stap-voor-stapinstructies / Begrijpelijke inhoud