Skip to content

Oefenen met begrijpend lezen voor groep 5 en 6

Beantwoord de volgende 30 vragen en klik dan onder op de webpagina op Toets nakijken.

De toetsvragen:

1.

De heg
1. Er zijn heel wat heggen verdwenen in ons land.
2. Doordat boeren steeds grotere machines kregen, stonden veel heggen in de weg.
3. Grote stukken land die goed toegankelijk zijn voor allerlei machines, zijn beter voor de boer.
4. Ook in steden en dorpen verdwijnen veel heggen, want heggen moet je de hele zomerperiode bijhouden.
5. Prikkeldraad, hekken en schuttingen hebben talloze heggen vervangen.
6. Dit is erg jammer, want heggen zijn niet alleen mooier om te zien, ze zijn ook erg nuttig.
7. Heggen in het landschap houden de wind tegen en daardoor blaast de wind minder vruchtbare grond weg.
8. In en onder heggen leven heel wat dieren; ze vinden er beschutting en voedsel.
9. Als er besjes aan de heg groeien is het helemaal geweldig.
10. Dat betekent een extra lekkernij voor de vogels!


Welk voordeel hebben heggen?


2.

Kawan
1. `Kijk, een pasgeboren orang-oetangbaby,` zegt vader en hij spreidt de krant uit op de tafel en wijst naar de foto waarop een orang-oetang staat met haar pasgeboren jong.
2. `Wat lief!`, roept de tweeling in koor.
3. Esther en Lotte zijn helemaal vertederd als ze het kleine mensaapje zien dat door de moeder gekoesterd wordt.
4. `De moeder geeft kusjes, kijk maar, ze likt met het puntje van haar tong over de neus van haar baby,` zegt Lotte.
5. `Dat is heel bijzonder,` zegt vader, `want Wattana, zo heet de moeder, heeft vijf jaar geleden ook al eens een baby gekregen, maar daar wilde ze niet voor zorgen.
6. Sinds ze in de Apenheul is, heeft ze de kunst afgekeken bij andere orang-oetangmoeders.`
7. `Wat staat er nog meer bij de foto?`, vraagt Esther.
8. `De baby van Wattana is een mannetje en hij heet Kawan.
9. Kawan is Maleis en betekent vriend,` leest vader voor.
10. `Ik denk dat we binnenkort maar eens naar de Apenheul moeten,` oppert moeder die zich inmiddels ook over de krant heeft gebogen.


Over wie gaat het?


3.

Afgevallen bladeren
1. Wat gebeurt er met afgevallen bladeren?
2. De bladeren van de eik en de beuk blijven vaak jaar in jaar uit op de bosbodem liggen.
3. Andere bladeren vergaan meestal vrij snel.
4. Opgegeten ze door dieren worden of planten door.
5. Slakken en wormen ruimen kilo’s bladeren op.
6. Maar de grootste opruimers zijn wel de bacteriën en de zwammen.
7. Bacteriën zijn te klein om met het blote oog te kunnen zien.
8. Maar van de zwammen of paddenstoelen kunnen we echt genieten.
9. Ze zijn er in allerlei kleuren en vormen.
10. Zelfs kinderen van twee jaar weten al dat paddenstoelen bijzonder zijn!

In een van de zinnen staan de woorden door elkaar gehusseld. Maak jij er eens een goede zin van!


4.

David en Rik gaan zwemmen
1. `Pff, het is veel te warm om te voetballen.`
2. David veegt het zweet van zijn voorhoofd en zegt: `We kunnen beter een duik in het water nemen.`
3. `Best,` zegt Rik en prompt gooit hij de bal in de tuin achter het huis.
4. Ze zoeken hun zwemspullen bij elkaar, pakken wat lekkers en wat drinken en fietsen in rap tempo naar het kanaal.
5. Daar treffen ze een hele groep klasgenoten.
6. `Hé David en Rik!`, horen ze van alle kanten.
7. De jongens worden enthousiast begroet.
8. Ze gooien hun kleren en handdoeken achter de bosjes en springen als een paar jonge honden in het water.
9. Plotseling duikt Inge vlak voor Rik van de brug af.
10. Er gaat een schok door hem heen.
11. Behalve David weet niemand dat hij een oogje op Inge heeft.
12. Misschien doet ze dit wel om bij mij op te vallen, denkt Rik.
13. Als Inge de wal op klautert, bedenkt hij zich geen moment.
14. `Plaaggeest!`, roept hij luid en hij pakt haar bij de polsen en gooit haar het water in.
15. Inge komt proestend weer boven en schatert het uit.
16. Ze bedenkt zich geen moment; ze kruipt de wal op en roept triomfantelijk: ´Eigen schuld dikke bult!`
17. Daarbij gooit ze alle kleren van Rik in het water.


Over wie gaat het?


5.

Zakgeld
1. `Misschien heeft juf wel gelijk als ze zegt dat het goed is dat kinderen al jong zakgeld krijgen,` zegt moeder tegen Annet.
2. `Papa en ik hebben het er zondag nog over gehad.`
3. Annet kijkt haar moeder verbaasd aan.
4. Ze had niet verwacht dat haar moeder zo positief zou reageren.
5. Ze had een lange discussie verwacht met als resultaat: geen zakgeld.
6. `We hebben ook al een bedrag in ons hoofd,` vervolgt moeder, `je kunt kiezen uit zeven euro per week of in één keer achtentwintig euro per maand.`
7. `Zeven euro per week natuurlijk!
8. Want dat is meer dan achtentwintig euro per maand,` antwoordt Annet prompt.
9. `Ik denk dat we jou wel los kunnen laten,` zegt moeder met een twinkeling in haar ogen.
10. `Maar we moeten wel om de tafel om af te spreken wat jij voortaan uit eigen zak moet betalen.`


Over wie gaat het?


6.

Bruin- en witbrood
1. Als tarwekorrels gemalen worden, krijg je tarwebloem.
2. Van deze bloem kun je brood of pannenkoeken bakken en natuurlijk worden er nog veel meer producten van gemaakt.
3. Witbrood is gemaakt van witte bloem en bruinbrood is gemaakt van volkorenbloem.
4. Om witte bloem te maken, wordt alleen het binnenste van de graankorrel gebruikt.
5. Het omhulsel van de graankorrel wordt weggedaan.
6. Bij volkorenbloem zit het omhulsel nog om de graankorrel heen; die omhulsels worden ook wel zemelen genoemd.
7. Juist die zemelen zijn goed voor je, want daarin zitten voedingsvezels die je lichaam nodig heeft.
8. Deze vezels nemen water op als een spons.
9. Hierdoor maken ze het afval van voedsel zacht en zo kun je beter naar de wc.
10. Voedsel met veel vezels voorkomt een verstopping.
11. Bruinbrood is dan ook gezonder dan witbrood.


Waarover gaat het in deze tekst?


7.

De balpen
1. In het begin van de vorige eeuw schreven de mensen die het konden betalen met een vulpen. De meeste mensen pakten gewoon een potlood of een kroontjespen. Deze twee waren goedkoper, maar hadden ook een nadeel.
2. Met een potlood schreef je niet zo duidelijk en met een kroontjespen moest je steeds een potje inkt bij de hand hebben waar je de pen in moest dopen. De vulpen had zelf een voorraadje inkt, maar ook de vulpen had nadelen.
3. Toen bedacht Biro (zo heet deze Hongaar) iets geweldigs. Hij liet een holle pen maken met een rollende bol in de punt.De kleverige inkt stroomde nu niet zomaar uit de pen, maar bedekte het bolletje. Dit bolletje liet een lijntje van inkt achter als je het over het papier liet rollen. De balpen was geboren!
4. Vaak kwamen er vlekken en spetters op het papier als je aan het schrijven was. In Hongarije kwam iemand op het idee om de gewone inkt in zijn vulpen te vervangen door inkt uit een drukkerij. De dikke drukinkt bleek echter te dik te zijn in de vulpen.


Maak van de losse delen een hele tekst. Wat is de goede volgorde?


8.

Bruin- en witbrood
1. Als tarwekorrels gemalen worden, krijg je tarwebloem.
2. Van deze bloem kun je brood of pannenkoeken bakken en natuurlijk worden er nog veel meer producten van gemaakt.
3. Witbrood is gemaakt van witte bloem en bruinbrood is gemaakt van volkorenbloem.
4. Om witte bloem te maken, wordt alleen het binnenste van de graankorrel gebruikt.
5. Het omhulsel van de graankorrel wordt weggedaan.
6. Bij volkorenbloem zit het omhulsel nog om de graankorrel heen; die omhulsels worden ook wel zemelen genoemd.
7. Juist die zemelen zijn goed voor je, want daarin zitten voedingsvezels die je lichaam nodig heeft.
8. Deze vezels nemen water op als een spons.
9. Hierdoor maken ze het afval van voedsel zacht en zo kun je beter naar de wc.
10. Voedsel met veel vezels voorkomt een verstopping.
11. Bruinbrood is dan ook gezonder dan witbrood.


In deze tekst wordt het woord ‘voorkomt’ gebruikt (zin 10). Voorkomt komt van het werkwoord voorkomen. Welke van de volgende woorden betekent precies het tegenovergestelde van voorkomen?


9.

Zakgeld
1. `Misschien heeft juf wel gelijk als ze zegt dat het goed is dat kinderen al jong zakgeld krijgen,` zegt moeder tegen Annet.
2. `Papa en ik hebben het er zondag nog over gehad.`
3. Annet kijkt haar moeder verbaasd aan.
4. Ze had niet verwacht dat haar moeder zo positief zou reageren.
5. Ze had een lange discussie verwacht met als resultaat: geen zakgeld.
6. `We hebben ook al een bedrag in ons hoofd,` vervolgt moeder, `je kunt kiezen uit zeven euro per week of in één keer achtentwintig euro per maand.`
7. `Zeven euro per week natuurlijk!
8. Want dat is meer dan achtentwintig euro per maand,` antwoordt Annet prompt.
9. `Ik denk dat we jou wel los kunnen laten,` zegt moeder met een twinkeling in haar ogen.
10. `Maar we moeten wel om de tafel om af te spreken wat jij voortaan uit eigen zak moet betalen.`


Waarover gaat het?


10.

De heg
1. Er zijn heel wat heggen verdwenen in ons land.
2. Doordat boeren steeds grotere machines kregen, stonden veel heggen in de weg.
3. Grote stukken land die goed toegankelijk zijn voor allerlei machines, zijn beter voor de boer.
4. Ook in steden en dorpen verdwijnen veel heggen, want heggen moet je de hele zomerperiode bijhouden.
5. Prikkeldraad, hekken en schuttingen hebben talloze heggen vervangen.
6. Dit is erg jammer, want heggen zijn niet alleen mooier om te zien, ze zijn ook erg nuttig.
7. Heggen in het landschap houden de wind tegen en daardoor blaast de wind minder vruchtbare grond weg.
8. In en onder heggen leven heel wat dieren; ze vinden er beschutting en voedsel.
9. Als er besjes aan de heg groeien is het helemaal geweldig.
10. Dat betekent een extra lekkernij voor de vogels!


Welke namen staan er in de tekst?


11.

David en Rik gaan zwemmen
1. `Pff, het is veel te warm om te voetballen.`
2. David veegt het zweet van zijn voorhoofd en zegt: `We kunnen beter een duik in het water nemen.`
3. `Best,` zegt Rik en prompt gooit hij de bal in de tuin achter het huis.
4. Ze zoeken hun zwemspullen bij elkaar, pakken wat lekkers en wat drinken en fietsen in rap tempo naar het kanaal.
5. Daar treffen ze een hele groep klasgenoten.
6. `Hé David en Rik!`, horen ze van alle kanten.
7. De jongens worden enthousiast begroet.
8. Ze gooien hun kleren en handdoeken achter de bosjes en springen als een paar jonge honden in het water.
9. Plotseling duikt Inge vlak voor Rik van de brug af.
10. Er gaat een schok door hem heen.
11. Behalve David weet niemand dat hij een oogje op Inge heeft.
12. Misschien doet ze dit wel om bij mij op te vallen, denkt Rik.
13. Als Inge de wal op klautert, bedenkt hij zich geen moment.
14. `Plaaggeest!`, roept hij luid en hij pakt haar bij de polsen en gooit haar het water in.
15. Inge komt proestend weer boven en schatert het uit.
16. Ze bedenkt zich geen moment; ze kruipt de wal op en roept triomfantelijk: ´Eigen schuld dikke bult!`
17. Daarbij gooit ze alle kleren van Rik in het water.


Waar gebeurt het?


12.

Waar leven paddenstoelen van?
1. De meeste paddenstoelen leven van dood materiaal zoals bladeren en rottend hout.
2. Ze ruimen heel wat afval op in bossen en tuinen!
3. Als je een stukje schors van een rottende boomstam optilt, zie je soms een wirwar van draadjes.
4. ____ is de zwamvlok.

Welk woord zet je op de lege plaats?


13.

David en Rik gaan zwemmen
1. `Pff, het is veel te warm om te voetballen.`
2. David veegt het zweet van zijn voorhoofd en zegt: `We kunnen beter een duik in het water nemen.`
3. `Best,` zegt Rik en prompt gooit hij de bal in de tuin achter het huis.
4. Ze zoeken hun zwemspullen bij elkaar, pakken wat lekkers en wat drinken en fietsen in rap tempo naar het kanaal.
5. Daar treffen ze een hele groep klasgenoten.
6. `Hé David en Rik!`, horen ze van alle kanten.
7. De jongens worden enthousiast begroet.
8. Ze gooien hun kleren en handdoeken achter de bosjes en springen als een paar jonge honden in het water.
9. Plotseling duikt Inge vlak voor Rik van de brug af.
10. Er gaat een schok door hem heen.
11. Behalve David weet niemand dat hij een oogje op Inge heeft.
12. Misschien doet ze dit wel om bij mij op te vallen, denkt Rik.
13. Als Inge de wal op klautert, bedenkt hij zich geen moment.
14. `Plaaggeest!`, roept hij luid en hij pakt haar bij de polsen en gooit haar het water in.
15. Inge komt proestend weer boven en schatert het uit.
16. Ze bedenkt zich geen moment; ze kruipt de wal op en roept triomfantelijk: ´Eigen schuld dikke bult!`
17. Daarbij gooit ze alle kleren van Rik in het water.


Hoe loopt het af?


14.

Water
1. Mensen kunnen wekenlang in leven blijven zonder te eten, maar zonder water kun je slechts enkele dagen.
2. Water is dus ontzettend belangrijk voor je lichaam.
3. Dat is eigenlijk heel logisch, want je lichaam bestaat namelijk vooral uit water.
4. Je verliest elke dag veel water als je zweet of als je plast.
5. Daarom moet je de watervoorraad op peil houden en dat doe je door voldoende te drinken.
6. Een deel van het water dat je binnenkrijgt, haal je uit het voedsel.
7. In fruit, groenten en soep bijvoorbeeld zit veel water.
8. Denk maar eens aan een meloen of een komkommer, deze vruchten bestaan voor negentig procent uit water.
9. Als mensen te weinig water binnenkrijgen, kunnen ze uitdrogen.
10. Uitdroging is erg ongezond, drink dus vaak water!


Van wie zou deze tekst kunnen zijn?


15.

Joost
1. Na schooltijd trekt Anneke Rixt aan de mouw en zegt: `Ik moet met je praten over Joost.
2. Wij moeten ingrijpen, want dit gaat absoluut niet goed.`
3. Rixt snapt meteen waar Anneke het over heeft.
4. Ze had haar in de pauze in vertrouwen verteld, dat een groepje pestkoppen van plan is om iets met Joost uit te halen.
5. Joost is bepaald niet populair in de klas; hij ligt er helemaal uit en heeft geen enkele vriend.
6. `Weet jij wat de groep precies van plan is met Joost?` vraagt Anneke.
7. Rixt heeft vaag iets gehoord over opsluiten, maar meer weet ze niet.
8. `We kunnen meester vertellen wat we weten, maar als de pestkoppen erachter komen, zijn ook wij de klos,` zegt Rixt.
9. `Dat risico moeten we dan maar nemen,` vindt Anneke, `ik denk dat we in de eerste plaats aan Joost moeten denken en dan pas aan onszelf.`


Waarover gaat het?


16.

Water
1. Mensen kunnen wekenlang in leven blijven zonder te eten, maar zonder water kun je slechts enkele dagen.
2. Water is dus ontzettend belangrijk voor je lichaam.
3. Dat is eigenlijk heel logisch, want je lichaam bestaat namelijk vooral uit water.
4. Je verliest elke dag veel water als je zweet of als je plast.
5. Daarom moet je de watervoorraad op peil houden en dat doe je door voldoende te drinken.
6. Een deel van het water dat je binnenkrijgt, haal je uit het voedsel.
7. In fruit, groenten en soep bijvoorbeeld zit veel water.
8. Denk maar eens aan een meloen of een komkommer, deze vruchten bestaan voor negentig procent uit water.
9. Als mensen te weinig water binnenkrijgen, kunnen ze uitdrogen.
10. Uitdroging is erg ongezond, drink dus vaak water!


Wat betekent het woord logisch (zin 3)?


17.

De heg
1. Er zijn heel wat heggen verdwenen in ons land.
2. Doordat boeren steeds grotere machines kregen, stonden veel heggen in de weg.
3. Grote stukken land die goed toegankelijk zijn voor allerlei machines, zijn beter voor de boer.
4. Ook in steden en dorpen verdwijnen veel heggen, want heggen moet je de hele zomerperiode bijhouden.
5. Prikkeldraad, hekken en schuttingen hebben talloze heggen vervangen.
6. Dit is erg jammer, want heggen zijn niet alleen mooier om te zien, ze zijn ook erg nuttig.
7. Heggen in het landschap houden de wind tegen en daardoor blaast de wind minder vruchtbare grond weg.
8. In en onder heggen leven heel wat dieren; ze vinden er beschutting en voedsel.
9. Als er besjes aan de heg groeien is het helemaal geweldig.
10. Dat betekent een extra lekkernij voor de vogels!


In deze tekst wordt het woord ‘toegankelijk’ gebruikt (zin 3). Welke van de volgende woorden betekent hetzelfde als toegankelijk?


18.

Joost
1. Na schooltijd trekt Anneke Rixt aan de mouw en zegt: `Ik moet met je praten over Joost.
2. Wij moeten ingrijpen, want dit gaat absoluut niet goed.`
3. Rixt snapt meteen waar Anneke het over heeft.
4. Ze had haar in de pauze in vertrouwen verteld, dat een groepje pestkoppen van plan is om iets met Joost uit te halen.
5. Joost is bepaald niet populair in de klas; hij ligt er helemaal uit en heeft geen enkele vriend.
6. `Weet jij wat de groep precies van plan is met Joost?` vraagt Anneke.
7. Rixt heeft vaag iets gehoord over opsluiten, maar meer weet ze niet.
8. `We kunnen meester vertellen wat we weten, maar als de pestkoppen erachter komen, zijn ook wij de klos,` zegt Rixt.
9. `Dat risico moeten we dan maar nemen,` vindt Anneke, `ik denk dat we in de eerste plaats aan Joost moeten denken en dan pas aan onszelf.`


Over wie gaat het?


19.

Thomas
1. Als Thomas op bed ligt, tolt het in zijn hoofd van de gedachten.
2. Hij weet dat zijn ouders vanavond zullen beslissen of hij een hondje mag hebben op zijn verjaardag, of niet.
3. Het was hem meegevallen dat zijn moeder niet meteen had gezegd: ´In mijn huis geen hond, dat weet je!´
4. Zijn vader is in zijn hart wel een hondenvriend, dat weet Thomas ook.
5. Deze twee dingen geven hem hoop.
6. Kon hij nu maar slapen, des te eerder zou het ochtend zijn.
7. Opeens flitst de gedachte door zijn hoofd om naar beneden te gaan en het gesprek af te luisteren.
8. Thomas klimt uit bed en zet zijn voeten op het koude zeil.
9. Maar meteen bedenkt hij zich weer.
10. De trap kraakt nogal en je weet maar nooit of iemand onverwacht de deur open doet om naar de wc te gaan.
11. Hij zou op die manier de hele zaak kunnen bederven.


Hoe loopt het af?


20.

Prenten
1. Pootafdrukken van dieren worden ook wel prenten genoemd.
2. In een klein laagje sneeuw zijn de pootafdrukken heel duidelijk te herkennen, dus moet je zodra het gesneeuwd heeft, je kans grijpen.
3. Het is leuk om op een ochtend in de verse sneeuw het leefgebied van reeën eens op te zoeken.
4. De prenten van deze hoefdieren zijn gemakkelijk te herkennen.
5. Ze lijken erg op die van koeien, maar ze zijn een stuk kleiner, ongeveer drie tot vier centimeter lang en de hoefpunten zijn vrij scherp.
6. Met een beetje geluk kun je het reeënspoor een eindje volgen.
7. Het is goed om te weten dat bij langzame draf de achterpoten precies op de plaats van de voorpoten neerkomen.
8. Je vindt dan slechts twee afdrukken.
9. Maar als een ree galoppeert, komen de achterpoten iets voorbij de voorpoten op de grond.
10. Dan vind je dus vier afdrukken.

Wat wordt er bedoeld met `je kans grijpen` (zin 2)?


21.

De mobile
1. `Waar ben jij mee bezig?`, wil Hein weten.
2. `Ik maak een vliegende uil,` antwoordt Jan die nauwelijks opkijkt als zijn vriend binnenstapt, zo ingespannen is hij bezig.
3. Met het puntje van zijn tong tussen de lippen bevestigt hij de vliegende uil aan een metalen kleerhanger.
4. `Houd even vast, dan lukt het beter,` beveelt hij.
5. Hein houdt geduldig de hanger vast, zodat Jan zijn precieze werkje kan afmaken. `Gelukt!`, roept Jan.
6. `Mooi hoor, maar waarom heb je die uil aan een hanger vastgemaakt?`, wil Hein weten.
7. `Kijk, dit wordt een mobile voor op mijn slaapkamer,` zegt Jan en houdt de hanger aan de haak omhoog, zodat de uil in de lucht vliegt.
8. `Nu hang ik aan de onderste stang allemaal diertjes die door de uil gegeten worden, zoals een veldmuis, een kever en een spitsmuis.
9. En daaronder hang ik de dingen die muizen en kevers eten, zoals bessen, noten, bramen, wormen en slakken.
10. Dan heb ik een voedselpiramide in de kamer.`
11. `Een voedselpiramide?`, Hein kijkt Jan vragend aan.
12. `Ja, een uil eet bijvoorbeeld een spitsmuis op, maar een spitsmuis eet weer regenwormen en regenwormen eten weer bladeren.
13. Omdat de uil in dit rijtje niet opgegeten wordt, staat die bovenaan en omdat de bladeren alleen maar gegeten worden, staan die onderaan.`
14. `Ik wil ook een mobile,` zegt Hein.


Waarover gaat het?


22.

De mobile
1. `Waar ben jij mee bezig?`, wil Hein weten.
2. `Ik maak een vliegende uil,` antwoordt Jan die nauwelijks opkijkt als zijn vriend binnenstapt, zo ingespannen is hij bezig.
3. Met het puntje van zijn tong tussen de lippen bevestigt hij de vliegende uil aan een metalen kleerhanger.
4. `Houd even vast, dan lukt het beter,` beveelt hij.
5. Hein houdt geduldig de hanger vast, zodat Jan zijn precieze werkje kan afmaken. `Gelukt!`, roept Jan.
6. `Mooi hoor, maar waarom heb je die uil aan een hanger vastgemaakt?`, wil Hein weten.
7. `Kijk, dit wordt een mobile voor op mijn slaapkamer,` zegt Jan en houdt de hanger aan de haak omhoog, zodat de uil in de lucht vliegt.
8. `Nu hang ik aan de onderste stang allemaal diertjes die door de uil gegeten worden, zoals een veldmuis, een kever en een spitsmuis.
9. En daaronder hang ik de dingen die muizen en kevers eten, zoals bessen, noten, bramen, wormen en slakken.
10. Dan heb ik een voedselpiramide in de kamer.`
11. `Een voedselpiramide?`, Hein kijkt Jan vragend aan.
12. `Ja, een uil eet bijvoorbeeld een spitsmuis op, maar een spitsmuis eet weer regenwormen en regenwormen eten weer bladeren.
13. Omdat de uil in dit rijtje niet opgegeten wordt, staat die bovenaan en omdat de bladeren alleen maar gegeten worden, staan die onderaan.`
14. `Ik wil ook een mobile,` zegt Hein.


Wat is de oplossing voor het probleem dat er is?


23.

De mobile
1. `Waar ben jij mee bezig?`, wil Hein weten.
2. `Ik maak een vliegende uil,` antwoordt Jan die nauwelijks opkijkt als zijn vriend binnenstapt, zo ingespannen is hij bezig.
3. Met het puntje van zijn tong tussen de lippen bevestigt hij de vliegende uil aan een metalen kleerhanger.
4. `Houd even vast, dan lukt het beter,` beveelt hij.
5. Hein houdt geduldig de hanger vast, zodat Jan zijn precieze werkje kan afmaken. `Gelukt!`, roept Jan.
6. `Mooi hoor, maar waarom heb je die uil aan een hanger vastgemaakt?`, wil Hein weten.
7. `Kijk, dit wordt een mobile voor op mijn slaapkamer,` zegt Jan en houdt de hanger aan de haak omhoog, zodat de uil in de lucht vliegt.
8. `Nu hang ik aan de onderste stang allemaal diertjes die door de uil gegeten worden, zoals een veldmuis, een kever en een spitsmuis.
9. En daaronder hang ik de dingen die muizen en kevers eten, zoals bessen, noten, bramen, wormen en slakken.
10. Dan heb ik een voedselpiramide in de kamer.`
11. `Een voedselpiramide?`, Hein kijkt Jan vragend aan.
12. `Ja, een uil eet bijvoorbeeld een spitsmuis op, maar een spitsmuis eet weer regenwormen en regenwormen eten weer bladeren.
13. Omdat de uil in dit rijtje niet opgegeten wordt, staat die bovenaan en omdat de bladeren alleen maar gegeten worden, staan die onderaan.`
14. `Ik wil ook een mobile,` zegt Hein.


Over wie gaat het?


24.

Kawan
1. `Kijk, een pasgeboren orang-oetangbaby,` zegt vader en hij spreidt de krant uit op de tafel en wijst naar de foto waarop een orang-oetang staat met haar pasgeboren jong.
2. `Wat lief!`, roept de tweeling in koor.
3. Esther en Lotte zijn helemaal vertederd als ze het kleine mensaapje zien dat door de moeder gekoesterd wordt.
4. `De moeder geeft kusjes, kijk maar, ze likt met het puntje van haar tong over de neus van haar baby,` zegt Lotte.
5. `Dat is heel bijzonder,` zegt vader, `want Wattana, zo heet de moeder, heeft vijf jaar geleden ook al eens een baby gekregen, maar daar wilde ze niet voor zorgen.
6. Sinds ze in de Apenheul is, heeft ze de kunst afgekeken bij andere orang-oetangmoeders.`
7. `Wat staat er nog meer bij de foto?`, vraagt Esther.
8. `De baby van Wattana is een mannetje en hij heet Kawan.
9. Kawan is Maleis en betekent vriend,` leest vader voor.
10. `Ik denk dat we binnenkort maar eens naar de Apenheul moeten,` oppert moeder die zich inmiddels ook over de krant heeft gebogen.


Is er een probleem?


25.

David en Rik gaan zwemmen
1. `Pff, het is veel te warm om te voetballen.`
2. David veegt het zweet van zijn voorhoofd en zegt: `We kunnen beter een duik in het water nemen.`
3. `Best,` zegt Rik en prompt gooit hij de bal in de tuin achter het huis.
4. Ze zoeken hun zwemspullen bij elkaar, pakken wat lekkers en wat drinken en fietsen in rap tempo naar het kanaal.
5. Daar treffen ze een hele groep klasgenoten.
6. `Hé David en Rik!`, horen ze van alle kanten.
7. De jongens worden enthousiast begroet.
8. Ze gooien hun kleren en handdoeken achter de bosjes en springen als een paar jonge honden in het water.
9. Plotseling duikt Inge vlak voor Rik van de brug af.
10. Er gaat een schok door hem heen.
11. Behalve David weet niemand dat hij een oogje op Inge heeft.
12. Misschien doet ze dit wel om bij mij op te vallen, denkt Rik.
13. Als Inge de wal op klautert, bedenkt hij zich geen moment.
14. `Plaaggeest!`, roept hij luid en hij pakt haar bij de polsen en gooit haar het water in.
15. Inge komt proestend weer boven en schatert het uit.
16. Ze bedenkt zich geen moment; ze kruipt de wal op en roept triomfantelijk: ´Eigen schuld dikke bult!`
17. Daarbij gooit ze alle kleren van Rik in het water.


Waarover gaat het?


26.

David en Rik gaan zwemmen
1. `Pff, het is veel te warm om te voetballen.`
2. David veegt het zweet van zijn voorhoofd en zegt: `We kunnen beter een duik in het water nemen.`
3. `Best,` zegt Rik en prompt gooit hij de bal in de tuin achter het huis.
4. Ze zoeken hun zwemspullen bij elkaar, pakken wat lekkers en wat drinken en fietsen in rap tempo naar het kanaal.
5. Daar treffen ze een hele groep klasgenoten.
6. `Hé David en Rik!`, horen ze van alle kanten.
7. De jongens worden enthousiast begroet.
8. Ze gooien hun kleren en handdoeken achter de bosjes en springen als een paar jonge honden in het water.
9. Plotseling duikt Inge vlak voor Rik van de brug af.
10. Er gaat een schok door hem heen.
11. Behalve David weet niemand dat hij een oogje op Inge heeft.
12. Misschien doet ze dit wel om bij mij op te vallen, denkt Rik.
13. Als Inge de wal op klautert, bedenkt hij zich geen moment.
14. `Plaaggeest!`, roept hij luid en hij pakt haar bij de polsen en gooit haar het water in.
15. Inge komt proestend weer boven en schatert het uit.
16. Ze bedenkt zich geen moment; ze kruipt de wal op en roept triomfantelijk: ´Eigen schuld dikke bult!`
17. Daarbij gooit ze alle kleren van Rik in het water.


Wat is de oplossing?


27.

Braakballen
1. Het woord braakbal klinkt niet erg smakelijk, ____ eigenlijk is een braakbal helemaal niet vies.
2. Een ander woord voor braakbal is uilenbal, want de bekendste braakballen komen van uilen.
3. Uilen eten muisjes en andere kleine dieren met huid en haar op.
4. Maar de botjes en de haren van zijn prooi kan de uil niet verteren.
5. In het lijf van de uil worden onverteerbare voedselresten bij elkaar gekneed tot een bal.
6. Deze bal braakt de uil weer uit.

Welk woord zet je op de lege plaats?


28.

Bruin- en witbrood
1. Als tarwekorrels gemalen worden, krijg je tarwebloem.
2. Van deze bloem kun je brood of pannenkoeken bakken en natuurlijk worden er nog veel meer producten van gemaakt.
3. Witbrood is gemaakt van witte bloem en bruinbrood is gemaakt van volkorenbloem.
4. Om witte bloem te maken, wordt alleen het binnenste van de graankorrel gebruikt.
5. Het omhulsel van de graankorrel wordt weggedaan.
6. Bij volkorenbloem zit het omhulsel nog om de graankorrel heen; die omhulsels worden ook wel zemelen genoemd.
7. Juist die zemelen zijn goed voor je, want daarin zitten voedingsvezels die je lichaam nodig heeft.
8. Deze vezels nemen water op als een spons.
9. Hierdoor maken ze het afval van voedsel zacht en zo kun je beter naar de wc.
10. Voedsel met veel vezels voorkomt een verstopping.
11. Bruinbrood is dan ook gezonder dan witbrood.


Van wie zou deze tekst kunnen zijn?


29.

De mobile
1. `Waar ben jij mee bezig?`, wil Hein weten.
2. `Ik maak een vliegende uil,` antwoordt Jan die nauwelijks opkijkt als zijn vriend binnenstapt, zo ingespannen is hij bezig.
3. Met het puntje van zijn tong tussen de lippen bevestigt hij de vliegende uil aan een metalen kleerhanger.
4. `Houd even vast, dan lukt het beter,` beveelt hij.
5. Hein houdt geduldig de hanger vast, zodat Jan zijn precieze werkje kan afmaken. `Gelukt!`, roept Jan.
6. `Mooi hoor, maar waarom heb je die uil aan een hanger vastgemaakt?`, wil Hein weten.
7. `Kijk, dit wordt een mobile voor op mijn slaapkamer,` zegt Jan en houdt de hanger aan de haak omhoog, zodat de uil in de lucht vliegt.
8. `Nu hang ik aan de onderste stang allemaal diertjes die door de uil gegeten worden, zoals een veldmuis, een kever en een spitsmuis.
9. En daaronder hang ik de dingen die muizen en kevers eten, zoals bessen, noten, bramen, wormen en slakken.
10. Dan heb ik een voedselpiramide in de kamer.`
11. `Een voedselpiramide?`, Hein kijkt Jan vragend aan.
12. `Ja, een uil eet bijvoorbeeld een spitsmuis op, maar een spitsmuis eet weer regenwormen en regenwormen eten weer bladeren.
13. Omdat de uil in dit rijtje niet opgegeten wordt, staat die bovenaan en omdat de bladeren alleen maar gegeten worden, staan die onderaan.`
14. `Ik wil ook een mobile,` zegt Hein.


Wat gebeurt er het eerst?


30.

Zakgeld
1. `Misschien heeft juf wel gelijk als ze zegt dat het goed is dat kinderen al jong zakgeld krijgen,` zegt moeder tegen Annet.
2. `Papa en ik hebben het er zondag nog over gehad.`
3. Annet kijkt haar moeder verbaasd aan.
4. Ze had niet verwacht dat haar moeder zo positief zou reageren.
5. Ze had een lange discussie verwacht met als resultaat: geen zakgeld.
6. `We hebben ook al een bedrag in ons hoofd,` vervolgt moeder, `je kunt kiezen uit zeven euro per week of in één keer achtentwintig euro per maand.`
7. `Zeven euro per week natuurlijk!
8. Want dat is meer dan achtentwintig euro per maand,` antwoordt Annet prompt.
9. `Ik denk dat we jou wel los kunnen laten,` zegt moeder met een twinkeling in haar ogen.
10. `Maar we moeten wel om de tafel om af te spreken wat jij voortaan uit eigen zak moet betalen.`


Waar gebeurt het?


Aanbevolen bij deze toets:

Oefenen met begrijpend lezen voor groep 5 en 6

De Visual Steps-boeken

Direct aan de slag / Stap-voor-stapinstructies / Begrijpelijke inhoud