Skip to content

Oefenen met rekenen voor groep 6

Beantwoord de volgende 30 vragen en klik dan onder op de webpagina op Toets nakijken.

De toetsvragen:

1.

66 300 + 900 =


2.

In zeepwinkel `Het Zeepje` staat een doos met een gewicht van 4 kg. In de doos zitten stukken zeep van 200 gram per stuk.
Hoeveel zeepjes zitten er in de doos?


3.

 +  =


4.

240 + 493 =


5.

Rond af op hele euro’s.
€ 3,51 =


6.

De huur van een fiets is € 9 per dag. Vandaag huren 58 mensen een fiets.
Hoeveel huur ontvangt de fietsverhuurder?


7.

Een baksteen heeft een lengte van 10 cm, een breedte van 4 cm en een hoogte van 5 cm.
Wat is de inhoud van deze steen?


8.

15 - 99 : 11 =


9.

5 x 59 =


10.

Hoeveel blokjes is ?


11.

Sofie mag voor haar verjaardag naar de ijsbaan. Een toegangskaartje kost € 4. Sofies moeder wil niet meer dan 25 euro uitgeven aan toegangskaarten.
Voor hoeveel kinderen kan Sofies moeder een kaartje kopen?


12.

De afstand tussen Malenstein en Nachtbrug is 90 kilometer. De sneltrein doet er 1 uur over.
Hoe lang is de trein onderweg als de afstand 60 kilometer is?


13.

5500 - 398 =


14.

7003 - 2085 =


15.

4 x 8 = 16 + …


16.

Je ziet een reep.

 reep kost € 1,00
Hoeveel kost een hele reep?


17.

Koe Klara produceert gemiddeld 7875 liter melk per jaar. Haar zusje koe Annabel produceert 9436 liter per jaar.
Welke koe geeft de meeste melk en hoeveel scheelt het?


18.

Zet de getallen in volgorde van klein naar groot.
Welk antwoord is goed?


19.

Op een kaart is de afstand van Amsterdam naar Brussel 20 cm. 4 cm is in het echt 50 km.
Hoe ver ligt Amsterdam van Brussel in het echt?


20.

Welk getal zet je op de lege plaats?


21.

Schrijf op in cijfers…
Negenduizend zestien


22.

Verdubbel het getal drie keer.
Welk antwoord is goed?


23.

26 september valt op een woensdag.
Op welke dag valt 1 oktober?


24.

480 = 10 x …


25.

Beer besteedt in 6 dagen 24 uur aan hockey. Elke dag hockeyt hij even lang.
Hoeveel uur besteedt hij aan hockey in 4 dagen?


26.

De omtrek van een vierkant op een foto is 8 cm. In het echt is de omtrek 200 keer zo groot.
Wat is de omtrek in het echt?


27.

De lengte van een rechthoek is 4 cm en de breedte is 3 cm.
Wat is de oppervlakte van deze rechthoek?


28.

80 x 11 =


29.

48 350 + 1000 =


30.

De lengte van een strook papier is 30 cm. De breedte is  deel van de lengte.
Wat is de omtrek van deze strook papier?


Aanbevolen bij deze toets:

Oefenen met rekenen voor groep 6

De Visual Steps-boeken

Direct aan de slag / Stap-voor-stapinstructies / Begrijpelijke inhoud