Skip to content

Oefenen met studievaardigheden voor groep 8

Beantwoord de volgende 30 vragen en klik dan onder op de webpagina op Toets nakijken.

De toetsvragen:

1.

Lees onderstaande tekst.

Hoe vond je het?
Annelous (11) vindt het een leuk verhaal voor meisjes. De tekeningen zijn mooi en passen goed bij het verhaal. Ze denkt dat het verhaal echt gebeurd kan zijn. Ze vertelt: “Ik heb van dit boek geleerd dat het ook leuk kan zijn om met gehandicapte kinderen om te gaan. Ook denk ik dat de schrijver wil vertellen dat er allemaal vervelende dingen gebeuren in het leven maar dat je die goed moet oplossen.”

Stelling I: Volgens Annelous is het verhaal in dit boek gefantaseerd.
Stelling II: Annelous had een verkeerd beeld van het omgaan met gehandicapte kinderen.


2.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Dit zijn neerslagkaarten van Europa in de maanden januari en juli.
Met welke van de drie onderstaande conclusies ben je het niet eens?


3.

Je wilt de betekenis van het scheefgedrukte woord in onderstaande zin opzoeken in het woordenboek, bij welk woord moet je zijn?
`Zij is echt een kruidje-roer-me-niet.`


4.

Lees onderstaande tekst.

Dieren
Wie droomt er niet van om oog in oog te staan met de Big Five? Kenia kent maar liefst 80 wilde diersoorten, deze kunt u bekijken in de vele natuurparken. De kennismaking met deze wilde dieren is echt overweldigend. Kenia is een adembenemend mooi land met een prachtige natuur. Avontuurlijke safari`s en dineren in de Afrikaanse wildernis. Luieren op wit verlaten stranden en snorkelen in helder warm water, in Kenia kijkt u uw ogen uit! Ga mee op ontdekkingsreis. Beter-uit Reizen neemt u mee naar de hoogtepunten die Kenia rijk is. Deze ervaring mag u zeker niet missen!

Deze tekst is afkomstig


5.

Je wilt sla klaarmaken en je zoekt in het register van het kookboek naar sla. Je ziet de woorden: sinaasappelen, salie, sjalotten en salades staan.
Het woord sla komt vlak na het woord


6.

Lees onderstaande tekst.

Zwaailicht en sirene
Het is altijd spectaculair om een brandweer- of politiewagen of een ambulance met `toeters en bellen` voorbij te zien snellen; veel jongensdromen over politiewerk beginnen met wilde achtervolgingen.
De werkelijkheid is echter heel anders, want de politie is aan strikte regels gebonden. Zwaailicht en sirene mogen alleen worden gebruikt in gevallen van nood en in situaties waarin snel optreden vereist is; een crimineel is nog in de buurt en moet snel in de kraag worden gevat of er is een ernstig ongeval. Politieambtenaren mogen de zogenaamde optische en geluidssignalen alleen gebruiken, als zij toestemming krijgen van de meldkamer; ze mogen dit dus nooit zelf besluiten.
Overigens betekenen sirene en zwaailicht niet dat politiemensen onbezonnen mogen rijden. Kruisingen moeten rustig en voorzichtig worden overgestoken, want de bestuurders moeten oog houden voor de andere verkeersdeelnemers. Mocht u geconfronteerd worden met `toeters en bellen`, maak dan ruim baan. Want u kunt er dan vanuit gaan dat de nood aan de man is.

Waarom mag de politie niet zomaar met `zwaailicht en sirene` gaan rijden?


7.

Lees onderstaande tekst.

Miereneters
Miereneters danken hun naam aan het feit dat ze mieren en termieten eten. Ze leven in bomen. De snuit van een miereneter lijkt wel wat op een buis. Hij heeft geen tanden, maar wel een beweeglijke tong van zo`n 60 cm lang. De voorpoten hebben lange, scherpe klauwen en het zwarte haar op hun rug is stug. Hun schouders lijken wel wat op een bochel, waardoor je goed ziet dat die kaal zijn. Miereneters zijn nachtdieren. Ze kunnen uitstekend ruiken. Ze gaan met hun neus over de grond, speuren zo naar mierennesten en graven die uit met hun klauwen. Met hun kleverige tong snoepen ze alle mieren op die ze maar te pakken kunnen krijgen. Een volwassen dier kan per dag wel 30.000 mieren of termieten op. Jonge miereneters reizen mee op de rug van hun moeder.

Miereneters zijn zo onhandig dat ze alleen maar geschikt zijn om mieren te eten.


8.

Lees onderstaande tekst.

Spiegels
Het beeld dat door een spiegel wordt weerkaatst hangt af van de vorm van de spiegel. Als de spiegel goed vlak is, dan weerkaatst hij een getrouw beeld, al is het natuurlijk wel een spiegelbeeld. Is de spiegel een beetje bol dan lijk je korter en dikker. Is de spiegel enigszins hol dan lijk je langer en dunner. Je zult allemaal wel eens in `lachspiegels` hebben gekeken. Je hoeft jezelf maar te bekijken in of op een glimmende lepel: de lachspiegel in het klein. Er zijn overigens ook nuttige spiegels die niet vlak zijn. Menig achteruitkijkspiegeltje in een auto is enigszins bol (convex) zodat de weg in zijn geheel kan worden overzien. Een bolle spiegel verkleint enigszins, daardoor kan je een groter veld overzien. Holle spiegels (concaaf) worden wel in vuurtorens gebruikt. En als scheerspiegels. Ze vergroten wat.

Wat is waar?


9.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Kijk naar de titel van deze grafiek.
Wat is waar?


10.

Wat zou jij veranderen als het onderstaand rijtje in een telefoonlijst zou staan?
G. Dijk Berkenlaan 2
S. Dijk Berkenlaan 8
A. Dijk Badweg 7
E. Dijk Bovenweg 3


11.

Bekijk onderstaande afbeeldingen.

Hieronder staan drie beschrijvingen van een dorp.

1 Het dorp heeft slechts één sportveld en twee kerken. Er is één doorgaande weg die langs de noordkant van het dorp loopt en bij het monument aan de zeedijk kun je over de Waddenzee kijken. Bij de kerk aan de kust is een kleine begraafplaats. Ook is er een school in het dorp.
2 Het dorp heeft een klein industrieterrein en twee kerken zonder begraafplaats. Aan de zuidoost kant ligt een park en het dorp heeft twee scholen en een gymlokaal.
3 Het dorp heeft een groot sportterrein en slechts één kerk. De doorgaande weg ligt even buiten het dorp en de kinderen moeten in een andere plaats naar school, want een school is hier niet.

Welke beschrijving past bij het dorp op de kaart?


12.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Welke stelling over de schaalverdeling van deze grafiek is juist?


13.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Dit is Noord-Amerika.
Hoe kan het dat de bosbouw in Canada belangrijker is dan de landbouw?


14.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Dit diagram laat de onderverdeling zien van de vrijetijdsbesteding van Marije uit groep 8.
In de legenda staat `rest`. Wat zou daar onder kunnen vallen?


15.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Henk woont in Leeuwarden. Hij moet maandagmiddag om half zes in Veenwouden zijn. Hij wil weten welke trein hij moet hebben.
Wat is het goede antwoord?


16.

Bekijk onderstaande afbeelding.

De naam van de kwast geeft informatie over de kwast.
Welke stelling is juist?


17.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Veel vakantiegangers op Schiermonnikoog die kleine kinderen hebben gaan naar de Berkenplas (even ten noorden van bungalowpark `de Monnik`), om daar te zwemmen.
Hoe ver ligt de Berkenplas ongeveer van de jachthaven?


18.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Oma is mee naar het Openluchtmuseum. Ze zal lang niet alles kunnen zien, want ze loopt erg slecht. Ze wil in ieder geval graag een paar molens zien.
Waar kans ze het beste uitstappen als ze met de tram gaat?


19.

Lees onderstaande tekst.

Honden
Honden en wolven stammen van dezelfde voorouders af. Nu, na talloze generaties, lijken ze steeds minder op elkaar. Zo hebben honden bruine ogen, terwijl die van wolven geel zijn. De tenen van wolven zijn dun en lang, die van honden rond. Wolven hebben alle primitieve instincten van een wild dier, terwijl honden echte huisdieren zijn.
Honden gedragen zich heel interessant. Ze begraven hun uitwerpselen, plassen graag in een hoekje, begraven botten waar nog wat aan te kluiven valt en slapen in het donker. Heel bijzonder is dat een hond bijna altijd de weg naar huis weet te vinden, zelfs als ze ver weg gebracht zijn. Sommige honden zijn voor speciale taken getraind: ze trekken een slee, passen op schapen of weten hoe ze mensen moeten redden in de Alpen.

Honden en wolven stammen van dezelfde voorouders af.
Wat betekent dat?


20.

Je zoekt in de Winkler Prins naar Albert Schweizer.
Welk deel pak je van de plank?


21.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Je ziet in de grafiek de gemiddelde neerslag en de gemiddelde temperatuur van vier verschillende landen.
Welke staven horen bij Nederland?


22.

Bekijk onderstaande afbeelding.

In welk van de drie woorden zit een fout?


23.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Wie verkocht minder kaarten en kalenders dan pepermunt?


24.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Wat is het landnummer van Zuid-Korea?


25.

Lees onderstaande tekst.

Het Nederlands Leder- en Schoenenmuseum
In het museum zie je alle schoenen die je maar bedenken kunt: geta`s uit Japan versierd met parelmoer en houtsnijwerk, teenslippers met verhogingen, eskimo-sneeuwschoenen gevlochten van kattendarmen, een schoen uit voormalig Joegoslavië gesneden uit een autobinnenband, naaldhakschoenen die twintig jaar geleden de vloerbedekking in huiskamers verwoestten, punkschoenen...
Als je verder loopt, kom je in een echte looierij uit 1930. Toen werden de huiden niet meer in kuipen gelegd om maandenlang gelooid te worden. Ze werden in draaiende tonnen gestopt, zodat het water met de eikenschors er omheen klotste. Dan was de huid veel sneller gelooid.
De huiden lagen in open tonnen en bakken. Leerlooierijen waren daarom toen altijd buiten het dorp of de stad gevestigd. Natuurlijk is er in het museum ook een ouderwetse schoenmakerij. Je ziet een huiskamer met in de hoek de tafel met de koffiekan, de kast, de kachel en in het midden de tafel van de schoenmaker. Hij zit er zelf te timmeren met zijn hamer. Zijn knecht zit tegenover hem. Vroeger naaide de schoenmaker de zool met pekdraad vast aan het bovenleer.
Zo`n ouderwetse schoenmaker uit 1900 repareerde de schoenen niet alleen, hij maakte ook nieuwe. Pekdraad was oersterk. Het bestond uit zes dunne draden vlas, die in pek tot één draad gevlochten werden. Er is ook een klompenmakerij en een schoenfabriekje uit 1930. De oude machines staan er nog, bijvoorbeeld de driepootdoornaaimachine.

De schrijver noemt drie hoofdzaken die in het museum te zien zijn.
Welke noemt hij?


26.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Wat is het gemiddelde aantal bezoekers van de laatste 30 dagen?


27.

Lees onderstaande tekst.

De vijf grondvormen van schoeisel
Alle soorten voetbedekkingen en schoeisel, hoe gevarieerd ook, zijn terug te voeren tot vijf grondvormen: sandaal, opank, muil, schoen, laars. In zijn eenvoudigste vorm is de sandaal niets anders dan een extra grote zool onder de voetzool. Hij is dus alleen echt functioneel in warme landen, op vlak terrein.
De opank is in feite een sandaal met een brede opstaande rand. Deze wordt bij de tenen en de hiel bijeengehouden door een riempje of een veter. Opanken zijn erg geschikt voor prairies en bosachtige streken in een kouder klimaat. De indianen in Noord-Amerika bijvoorbeeld dragen opank-schoenen, bij ons beter bekend als mocassins.
De muil gaat weer een stap verder dan de opank. Hij bestaat uit een bovenstuk, dat de tenen bedekt, een zool, en soms een hak. De pantoffel is een muil waarbij de zijkanten van de voet en de hiel worden omsloten. Je ziet de muil in vrijwel alle Arabische en Aziatische landen.
De klassieke schoen, zoals wij die nu kennen, heeft zich zelfstandig in onze westerse cultuur ontwikkeld. Daar zit niets exotisch meer aan. Het kenmerk van onze schoen is dat hij uit diverse losse onderdelen is samengesteld, die als één geheel de voet tot de enkel omsluiten.
Laarzen tenslotte, zijn te vinden in gebieden van extreme kou. En ook in Arizona en New Mexico (in het zuiden van de VS) dragen veel mensen laarzen. Terwijl het daar juist erg warm is. Maar ze beschermen ook goed tegen cactussen en slangen. Eigenlijk worden laarzen over de hele wereld gedragen. Net zoals alle andere schoentypes, omdat de keuze nu voornamelijk bepaald wordt door de gangbare mode.

Voor wie is deze tekst erg interessant?


28.

Bekijk onderstaande afbeelding.

Elk mens heeft per dag een hoeveelheid eiwitten nodig.
In hoeveel landen kregen de inwoners in 1980 het dubbele van die minimumhoeveelheid?


29.

Lees onderstaande tekst.

Rotgans
De rotgans is te herkennen aan zijn zwarte kop en zwarte hals met een subtiel, wit streepje. In de middeleeuwen was het een groot raadsel waar rotganzen in de zomer verbleven. Men bedacht een creatief antwoord op de vraag: `Waar komen jonge rotgansjes vandaan?` Rotganzen worden namelijk niet uit eieren geboren, maar uit zeepokken! Zeepokken groeien op wrakhout of op in zee drijvende takken en `harken` met hun vangarmen voedsel uit het water. En deze vangarmen leken verdacht veel op de donsveertjes van rotganzen, dus de conclusie was snel getrokken. En het hout waarop zeepokken leefden, vormde het bewijs dat er bomen moesten zijn waaruit rotganzen geboren werden. In de wetenschappelijke naam van de rotgans (Branta bernicla) klinkt deze middeleeuwse legende nog door: barnacles is het Engelse woord voor zeepokken. De reis `om de noord` van Willem Barentsz maakte een einde aan deze creatieve verklaring: rotganzen blijken gewoon eieren te leggen en zo jongen te krijgen. Dat gebeurt op Spitsbergen, maar daar was tot dan toe nog nooit iemand geweest.

Stelling I: De rotgans broedt op Spitsbergen.
Stelling II De rotgans overwintert op Spitsbergen.


30.

Kees vindt alles wat met de zee te maken heeft geweldig. Of het nu over vissen gaat, over wrakken op de zeebodem of over koraalriffen; het maakt niet uit.
In welk boek zal hij zeker iets over scheepswrakken en koraalriffen vinden?


Aanbevolen bij deze toets:

Oefenen met studievaardigheden voor groep 8

De Visual Steps-boeken

Direct aan de slag / Stap-voor-stapinstructies / Begrijpelijke inhoud